De werksleutel | Thema 2 | Vaktaal: Agrarisch/buitenwerk

Kweker

Persoon die planten kweekt voor de handel. Dat is zijn werk. (functie)

Tuinman

De tuinman zorgt dat de tuin er netjes bij ligt. (functie)

Boer

Iemand die leeft van landbouw en/of veeteelt. (functie)

Vuilnisman

Deze persoon haalt de vuilnis op, leegt containers en brengt het afval naar een vuilnisbelt. (functie)

Dierenverzorger

Persoon die verantwoordelijk is voor een goede gezondheid van de dieren: hij moet ze voeren, hun hokken verschonen en hun gedrag in de gaten houden. (functie)

Medewerker teelt

Deze persoon verzorgt de oogst en teelt van producten en gewassen. Hij of zij werkt in de kassen of buiten. Hij zaait of plant de gewassen en zorgt voor het onderhoud van de planten. (functie)

Hovenier

Hij of zij zorgt voor tuinen en parken. (functie)

Medewerker hovenier

Deze persoon legt tuinen of parken aan. Hij of zij onderhoudt tuinen of parken. Hij zorgt voor natuur, grond en water. Hij gebruikt machines en gereedschap. (functie)

Medewerker natuurwater en recreatie

Persoon die zorgt voor de natuur en de gebouwen beheert. En soms moet hij of zij de gasten helpen bij activiteiten. Hij werkt bijvoorbeeld op een sportterrein, een bungalowpark of een vakantiepark. (functie)

Medewerker bloem, groen en styling

Iemand die werkt in een winkel met bloemen en planten. (functie)

Agrarisch loonwerker

Deze persoon kan het land bewerken met trekkers en groot materieel. Hij rijdt en gebruikt machines en werktuigen op het land. (functie)

Telen

Planten laten groeien. Je kunt bijvoorbeeld tomaten telen: je plant een zaadje en verzorgt de plant totdat er tomaten aan komen.

Planten

Planten, bloemen of bomen in de grond zetten.

Schoffelen

Grond/aarde losmaken met een schoffel.

Wieden

Het verwijderen van onkruid; onkruid wieden.

Melken

Zorgen dat er melk uit de uiers van de koeien wordt gehaald en opgevangen.

Vuil prikken

Het verzamelen van vuil op straat met een prikker.

Schoonmaken

Reinigen of poetsen van de omgeving.

Land bewerken

Het land geschikt maken voor de landbouw.

Zaaien

Zaad verspreiden, eventueel onder de grond, met de hand of met een machine. Dan moet je het goed verzorgen en kunnen de plantjes gaan groeien.

Oogsten

Gewassen of landbouwproducten van het land halen om op te eten of te verwerken.

Onderhouden van machines

Zorgen voor de machines, zodat de machines veilig blijven en niet kapotgaan.

Sproeien

Met een sproeier de grond natmaken.

Bestraten

Het maken of verharden van een straat of pad.

Verlichting

De lampen die voor het licht zorgen, bijvoorbeeld langs een weg.

Onderhouden

Iets goed verzorgen. Ervoor zorgen dat machines, apparaten of gebouwen in goede conditie blijven en niet kapotgaan.

Zeisen

Het maaien van gras en graan met een zeis.