De werksleutel | Thema 2 | Vaktaal: Schoonmaak/facilitair

Schoonmaker

Persoon die voor zijn beroep gebouwen, kantoren enzovoort schoonmaakt. (functie)

Conciƫrge

Iemand die ervoor zorgt dat een gebouw schoon en netjes is en die waar nodig kleine klusjes opknapt. Hij doet dit bijvoorbeeld op een school. (functie)

Facilitair medewerker

Iemand die ervoor zorgt dat een gebouw schoon en netjes is en goed onderhouden wordt. Soms heeft de facilitair medewerker ook andere taken, zoals de keuken bijvullen en bestellingen in orde maken. (functie)

Assisteren bij het beheer van gebouwen

Helpen bij het onderhoud van gebouwen.

Beveiliger

Iemand die zorgt voor de veiligheid en controleert of alles goed gaat. (functie)

Kamermeisje/kamerheer

Zij of hij maakt de kamers gebruiksklaar, zodat de gasten er terechtkunnen. (functie)

Ruimtes gebruiksklaar maken

Ik zorg ervoor dat de kamers of andere ruimtes gebruikt kunnen worden.

Schoonmaken

Vuil verwijderen; iets wassen of poetsen.

Bevoorraden

Zorgen dat er weer voldoende voorraad is.

Eenvoudig onderhoud

Kleine reparaties of klusjes.

Omroepen

Iets zeggen op zo'n manier dat veel mensen het tegelijk kunnen horen.

Moppen

De vloer dweilen.

Dweilen

De vloer moppen.

Afnemen

Het stof of vet ergens vanaf halen met een (vochtige) doek.

Stofzuigen

De vloer schoonmaken met een stofzuiger.

Afstoffen

Het stof van iets verwijderen.

Ramen lappen

Het glas van de ramen schoonmaken.

Klaarzetten

Van tevoren alle spullen pakken die nodig zijn voor het uitvoeren van je taak.

Koffiezetten

Koffie maken.

Prullenbakken legen

Vuilnis weggooien.

Controleren of alles netjes is

Checken of alles in orde is.

Planten water geven

De aarde van de planten natmaken.

Problemen oplossen

Zorgen dat het weer goed komt als er iets niet klopt of niet in orde is.

Notities ophangen

Een kort berichtje op een briefje schrijven en ophangen.

Bewegwijzering

Aanwijzingen op bordjes waar je naartoe moet lopen in een gebouw. Je kunt de bordjes volgen naar een bepaalde afdeling.

Stoelen rechtzetten

Stoelen netjes op de juiste plaats zetten.

Ordenen

Iets opruimen, netjes maken, zodat je het makkelijk terug kunt vinden.

Alles netjes maken

Alles opruimen, ordenen.